Praktische erfelijkheidsleer                    

Bepaalde raskenmerken berusten op de werking van bepaalde erffactoren. Zo zijn er erffactoren die de grootte van een dier, de oogkleur, de kleur van pels of verenkleed, het geslacht en bepaalde afwijkingen bepalen. In een bepaald dier is elke erffactor steeds dubbel aanwezig. Elke raseigenschap wordt voor de helft door de moeder en voor de helft door de vader bepaald. Raskenmerken kunnen door één of soms door meerdere erffactoren bepaald worden, bijv. eigenschappen die op één erffactor berusten zijn de oogkleur, de kleuren van verenkleed of pels, het type van beharing en erfelijke afwijkingen; op meerdere of vele erffactoren berusten o.a. het gewicht, het type, de bouw en de oorlengte.

Ik zal beginnen met de bespreking van kenmerken die op één erffactor berusten: de vererving hiervan kan dominant zijn, wat meestal het geval is, of ook wel intermediair. Bij een dominante vererving hoeft een bepaalde factor slechts éénmaal aanwezig te zijn om tot uiting te komen bijvoorbeeld:

1. Bij konijnen is de zwarte pelskleur dominant over blauw of bruin. Wanneer een fokzuivere (d.w.z. de erffactoren voor zwart zijn dubbel aanwezig) ram of voedster gepaard wordt met een bruine of blauwe (eveneens fokzuivere) voedster of ram, dan zullen alle jongen zwart van kleur zijn. Zwart vererft dus dominant t.o.v. bruin of blauw, omgekeerd vererft bruin en blauw recessief (ze verdwijnen schijnbaar) t.o.v. zwart. Deze nakomelingen zijn niet meer fokzuiver. Zij zijn uiterlijk zwart maar hebben tevens de erffactor voor blauw of bruin. Wanneer deze nakomelingen onderling gepaard worden zal gemiddeld 1 op de 4 jongen weer blauw of bruin zijn. Schematisch ziet dat er als volgt uit:

B is de erffactor voor bruin, een hoofdletter betekent dat het kenmerk zijn dominante vorm heeft (d.w.z. zwart), een kleine letter betekent dat het kenmerk recessief is en wanneer deze dubbel aanwezig is pas tot uiting komt (bb=bruin). D is de erffactor voor blauw.

2.Bij hoenders is de roze- en de erwtekam dominant over de enkele kam. De erffactoren voor rozekam heeft als symbool R, die voor erwtekam P, symbolisch: rrpp=enkele kam, RRpp=rozekam, rrPP=erwtekam.

Een haan of hen met een enkele kam gepaard met een hen of haan met een roze- of erwtekam (die fokzuiver zijn) geeft nakomelingen die alleen een roze- of erwtekam hebben. Wanneer deze nakomelingen onderling gepaard worden dan komt onder die jongen in één op de 4 gevallen weer een enkele kam voor.

3. Bij duiven vererft gekapt recessief t.o.v. gladkoppig d.w.z. een fokzuivere gladkoppige duivin of doffer gepaard met een gekapte doffer of duivin geeft uitsluitend gladkoppige nakomelingen. Deze jongen onderling gepaard geeft in het nageslacht weer met een kans van 1 op 4 een gekapte nakomeling.

In het geval van intermediaire vererving overheerst een eigenschap niet wanneer deze slechts éénmaal aanwezig is, hier hebben beide vormen van de erffactor evenveel inbreng. bijv.

2. Bij hoenders is de blauwe kleur zoals die voorkomt bij de blauwe Andalusiers, een intermediaire vorm van zwart en wit. Schematisch:

WW=zwart Ww=blauw ww=wit

ouderdieren nakomelingen

Ww x Ww -> WW zwart 25%

blauw blauw Ww blauw 25%

Ww blauw 25%

ww wit 25%

Bij hoenders komen er overigens twee soorten wit voor. Het wit van de witte leghorn is het zgn. dominant wit (dit overheerst over zwart). Daarentegen is het wit van de witte Minorca, de witte Wyandotte en de witte Plymouth Rock een recessief wit.

Enkele eigenschappen die dominant overerven zijn bijvoorbeeld bij:

konijnen:

normaalharig over rex/satijn/angora beharing

konijngrijs over éénkleurig (zwart, bruin, blauw, geel)

zwart over blauw, bruin of geel

normale nagels over witte nagels (rasfout!)

normale oogkleur over vlekogen (rasfout!)

cavia's:

normaal haar over lang haar

ruw- en borstelharig, maar ook crested over normaal harig (!)

agouti over zwart, chocolade, lilac of rood

hoenders:

éénkleurig zwart over columbia;

roze- of erwtekam over enkele kam

normale bevedering over zijdebevedering;

wit van Leghorn over zwart

duiven:

postduivenrood over zwart; zwart over sierduivenrood;

gladkoppig over gekapt.

Enkele eigenschappen die intermediair vererven zijn bijvoorbeeld bij:

konijnen:

de Lotharinger, Rijnlander en Papillon tekening

de Hollander tekening (met waarschijnlijk meer factoren)

de 'midden' marterkleuren

hoenders:

blauwe Andalusiers (ontstaat uit zwart x wit)

huidkleur, krulbevedering

duiven: naakthals over normaal bevederd

Altstämmer tuimelaar (geëksterd ontstaat uit wit x witpen)

cavia's:

de crème pelskleur; meertenigheid.

In de voorbeelden die ik hier opgesomd heb, ging het steeds om slechts één erffactor die dominant/recessief of intermediair vererft. Het wordt al ingewikkelder wanneer we twee of drie of 10 erffactoren bekijken, bv hoe zien de tweede generatie nakomelingen van een madagascar en een gouwenaar konijn er in het algemeen uit? of wat is het resultaat van een kruising tussen een kip met een rozekam en ander met een erwtekam? Nog moeilijker is het wanneer veel erffactoren een rol spelen bv. bij kenmerken als eiproductie, vruchtbaarheid, het gewicht of het vliegvermogen.

Referenties: Avicultura 1994 1, 6 en 10

Terug naar hoofdpagina